Verstijfd van angst wachtte Samuel Polak samen met zijn zoontje in de lange rij. Zijn vrouw en dochter hadden ze al weken niet meer gezien. Geen nieuws, geen hoop, dat was het ergste. En dit dagelijkse verbeiden en urenlang aanschuiven in de kou, om dan een waterachtige bruine stinkende soep geserveerd te krijgen, bleef een mensonterende beproeving. De sfeer was altijd al erg grimmig en vandaag leek iedereen extra onrustig. Het gerucht ging de ronde dat vandaag wel erg hoog bezoek langskwam. Wat voor afgrijselijks er dan kon gebeuren, was alom bekend.
“Makker, ben jij dat?” Verschrikt draaide Samuel zich om. Een seconde werd hij verblind door de tientallen glimmende medailles die het piekfijne uniform sierden.
“Samuel Polak, uit Berlijn, ja toch?” De stem was bits, kordaat en erg duidelijk, als een geoefend heerser. Een vraag die meer klonk als een bevel.
“Jawel mijnheer, maar alstublieft wij willen niet.” Stamelend en vermoeid kon Samuel zijn zin niet afmaken.
“Sst, Samuel toch. Geen angst. Kijk, ik heb wat lekkers mee voor je zoontje en een nieuwe winterjas voor jou.” Verward en bedeesd nam Samuel de jas aarzelend in ontvangst. Hij was prachtig in duur zacht leder en met een witte bontkraag afgewerkt. Hij knikte naar zijn zoontje dat het goed was om de snoep te aanvaarden.
“Mijn vrouw en dochter, Führer?”
“Die zitten al lang in Spanje, ouwe reus!” lachte Hitler vriendelijk. “Waarschijnlijk te genieten van een Mojito aan mijn zwembad.” Samuel merkte een fonkeling in zijn normaal koude grijze ogen. Hij moest zich vergissen. Hoorde hij dit goed?
“En jij en je zoon vertrekken nu meteen naar hen! Jullie hebben hier lang genoeg gewacht.”
De Führer rechtte zijn arm op zijn bekende manier. Een koude rilling rolde langzaam weg, plaats makend voor pure euforie.
“Jij verdient wat vakantie, amigo! Ik heb gesproken!”